Zes KiKa onderzoeken doorlopen vandaag hun tussentijdse evaluatie
Amsterdam 10 april 2026
Een commissie van experts volgt de lopende KiKa onderzoeken zorgvuldig. Zo wordt de kwaliteit van het onderzoek geborgd én waar mogelijk verbeterd. Vandaag presenteren onderzoekers van zes lopende KiKa onderzoeken de voortgang van hun werk aan deze commissie. We wensen de onderzoekers veel succes.


Onderzoek dat ertoe doet
Jaarlijks krijgen bijna 600 kinderen in Nederland kanker. Daarnaast krijgt driekwart van de survivors te maken met late effecten als gevolg van de behandeling. KiKa gelooft dat we dit kunnen veranderen door het financieren van baanbrekend onderzoek naar kinderkanker.
Onderzoeken die steun krijgen van KiKa, worden gedurende de looptijd nauwkeurig gevolgd. Voor projecten die langer dan twee jaar duren, organiseert KiKa een tussentijdse evaluatie (midterm review). Dit is een belangrijk moment waarop een commissie van experts de voortgang van onderzoeken halverwege hun looptijd beoordeelt, met als doel de kwaliteit te behouden én te verbeteren.
Tussentijdse evaluatie
Vandaag presenteren zes onderzoeksgroepen de voortgang van hun KiKa projecten. Prof. dr. Mirjam Heemskerk, Prof. dr. John Martens, Prof. dr. Joost Verhoeff (allen lid van de Wetenschappelijke Raad KiKa) en externe expert Prof. dr. Sanne Schagen (onderzoeker bij het Nederlands Kanker Instituut) maken deel uit van de commissie en beoordelen de projecten.
De onderwerpen zijn breed en uiteenlopend:
Retinoblastoom is een zeldzame vorm van kinderkanker in het netvlies van het oog. Elk jaar krijgen 10-15 kinderen deze diagnose in Nederland. Door betere behandelingen is er steeds minder tumorweefsel beschikbaar voor genetisch onderzoek. Dit is goed nieuws, maar tegelijkertijd is dit weefsel belangrijk om vast te stellen welke vorm retinoblastoom een kind heeft. Er zijn namelijk verschillende vormen, waarbij de ene vorm goed reageert op een behandeling en de andere niet. Het type retinoblastoom kan ook bepaald worden met een MRI-scan. Onderzoekers bestuderen hoe ze dit nog beter kunnen doen, zodat behandelingen in de toekomst nog beter afgestemd kunnen worden op het kind.
De overlevingskansen van kinderen met leukemie nemen steeds verder toe. Toch komt bij ongeveer 15-25% van de kinderen de ziekte terug. Sinds een paar jaar kunnen die kinderen behandeld worden met zogenaamde CAR-T-celtherapie. Hierbij worden de immuuncellen van de patiënt in het laboratorium getraind om vervolgens in de patiënt de kankercellen te herkennen en op te ruimen. Deze veelbelovende behandeling werkt goed bij een groot deel van de kinderen, maar niet bij allemaal. Onderzoekers proberen te begrijpen waarom de behandeling bij het ene kind wel werkt en bij het andere niet. Hiermee hopen ze de overlevingskansen voor kinderen met leukemie verder te verbeteren.
Ongeveer de helft van de kinderen met neuroblastoom heeft een hele slechte prognose. Van hen is na vijf jaar ongeveer de helft nog in leven, ondanks zware behandelingen zoals chemotherapie en een operatie. Daarom zijn dringend nieuwe behandelingen nodig. Onderzoekers kijken momenteel of TIL-therapie, een vorm van immunotherapie, kan werken voor deze kinderen. Als de resultaten positief zijn willen ze op korte termijn een klinische studie starten om kinderen met terugkerende of moeilijk behandelbare neuroblastoom te behandelen met deze therapie.
Een snelle en nauwkeurige diagnose is cruciaal om snel de juiste behandeling te starten tegen kinderkanker. Momenteel duurt het 7 tot 14 dagen om de diagnose te stellen voor solide tumoren. Dit is kanker die ontstaat in een orgaan of weefsel en daar een tumor van een klomp kwaadaardige cellen vormt. Onderzoekers werken aan een slim algoritme om de precieze diagnose binnen 24 uur vast te stellen. Als dit werkt kunnen behandelingen sneller starten, wat stress en angst bij kinderen en hun ouders vermindert.
Artsen weten momenteel niet goed welke kinderen met een Wilms-tumor, een vorm van nierkanker, het grootste risico lopen op terugkeer van en overlijden door de ziekte. Hierdoor krijgen kinderen met een hoger risico hierop niet altijd vanaf het begin de juiste uitgebreide behandeling die de overlevingskans zou kunnen vergroten. Onderzoekers bestuderen of het hebben van een bepaalde DNA-afwijking in de tumorcellen vaker leidt tot een slechtere behandeluitkomst. Hierdoor kunnen kinderen met een hoog-risico Wilms-tumor in de toekomst mogelijk sneller herkend worden. Zo kunnen ze sneller intensievere behandelingen krijgen, waardoor de kans op terugkeer van de ziekte kleiner wordt.
Jaarlijks krijgen 120 kinderen een hersentumor. Ongeveer de helft van deze tumoren bevindt zich in de achterste schedelgroeve. Bij ongeveer een kwart van de kinderen die geopereerd wordt aan een tumor in de achterste schedelgroeve ontstaat het Cerebellair Mutisme Syndroom (CMS). Kinderen kunnen dan niet goed meer praten, hebben moeite met coördinatie en vertonen gedragsproblemen. Dit heeft enorme gevolgen voor het leven van deze kinderen. Onderzoekers volgen meer dan tweehonderd kinderen die een hersenoperatie aan de achterste schedelgroeve kregen, om inzicht te krijgen in welke kinderen het grootste risico lopen op CMS. Ook proberen ze de oorzaak van CMS te achterhalen. Dit helpt om in de toekomst een behandeling op maat te kunnen geven die schade zoveel mogelijk voorkomt.
We wensen de leden van de commissie en de onderzoekers veel succes en hopen dat de evaluatie waardevolle aanbevelingen oplevert voor het vervolg van de projecten.
Wil jij ook bijdragen aan onderzoek dat ertoe doet?





