Ik was vijftien jaar en zat midden in mijn eindexamenjaar. Net als mijn leeftijdsgenoten was ik bezig met school, vrienden en leuke dingen doen. Totdat ik steeds meer last kreeg van mijn knie. We dachten dat het een blessure was. Na verschillende onderzoeken in het ziekenhuis bleek het opeens botkanker te zijn.
Mijn moeder werd gebeld door de arts terwijl ik buiten op de tuinbank zat. We moesten allebei huilen. Op dat moment dacht ik maar één ding: ik ga dood. Eerst was er vooral ongeloof. Hoe kan dit? Maar vrij snel gingen we met z'n allen in de stand: dit moet gebeuren, we gaan ervoor.
Ik werd behandeld in het UMC Groningen. Eerst volgden allerlei onderzoeken om te kijken of er uitzaaiingen waren en hoe agressief de tumor was. Daarna werd een behandelplan gemaakt. Ik kreeg veertien chemokuren. Helaas sloeg de chemotherapie niet goed genoeg aan en bleef de tumor doorgroeien. Daarom besloten de artsen eerder te opereren. Gelukkig konden ze mijn been behouden en kreeg ik een knieprothese.
De tijd in het ziekenhuis vond ik ontzettend eenzaam. Ik lag vaak alleen op een kamer en zag dan op Snapchat dat mijn vriendinnen leuke dingen aan het doen waren. Dan dacht ik: daar had ik eigenlijk ook willen zijn.
Een week nadat ik de diagnose kreeg, begonnen ook mijn eindexamens. Ik wilde alles maken wat ik kon maken. Twee examens moest ik later inhalen, maar uiteindelijk ben ik gewoon geslaagd. Dat typeert mij wel. Ik geef niet snel op en gooi niet zomaar de handdoek in de ring.
Na de behandeling begon eigenlijk een heel andere uitdaging. Eerst leef je van controle naar controle. En als die controles stoppen, valt ineens die zekerheid weg. Toen begon ik pas echt na te denken over wat er allemaal was gebeurd. Ik had veel moeite om mijn lichaam weer te vertrouwen. Je denkt altijd dat je gezond bent, totdat je ineens kanker krijgt. Daarna voelt je lichaam nooit meer vanzelfsprekend.
Ook lichamelijk veranderde er veel. Ik kwam aan door de behandelingen, kreeg een groot litteken op mijn been en moest wennen aan mijn knieprothese. Als meisje van zestien is dat niet makkelijk. Mijn leeftijdsgenoten gingen uit, ontdekten het leven en maakten zich druk om heel andere dingen. Dat heb ik allemaal gemist. Tegelijkertijd merkte ik dat ik sneller volwassen was geworden. Dingen waar leeftijdsgenoten zich druk om maakten, vond ik vaak helemaal niet belangrijk meer.
Tijdens mijn behandeling trok ik veel op met de verpleegkundigen. Zij betekenden ontzettend veel voor mij. Ze maakten tijd voor een praatje, leefden met me mee en zorgden ervoor dat ik me, ondanks alles, gezien voelde. Daar is mijn droom ontstaan. Ik wist dat ik later ook kinderen wilde helpen die hetzelfde meemaakten als ik.
Inmiddels werk ik zelf als kinderverpleegkundige. Ik heb echt passie voor mijn werk. Ik probeer positiviteit te brengen en merk dat ik daar ook heel veel voor terugkrijg. Dat maakt mijn werk iedere dag opnieuw ontzettend bijzonder.

Soms vind ik het nog steeds lastig om mijn lichaam volledig te vertrouwen. Het helpt dat ik als verpleegkundige veel klachten kan plaatsen, maar tegelijkertijd merk ik ook dat ik me sneller zorgen maak dan anderen. Dat hoort blijkbaar ook bij het leven na kanker.
Als ik nu terugkijk, ben ik vooral trots op waar ik nu sta. Ik heb alles doorstaan. Ik heb mijn opleiding gehaald, mijn droom waargemaakt.
Tegen de Djurra van vijftien zou ik willen zeggen: het is oké om niet oké te zijn.





